Geologie van het Ketelwald
Een uitgebreide beschrijving vindt u in de Toekomstvisie Ketelwald
Het landschap waarin het Ketelwald ligt vindt zijn oorsprong in het Saalien. Vanuit Scandinavië bereikte het honderden meters dikke landijs via het IJsseldal dit gebied en splitste in enkele tonggletsjers. Eén ervan drong door tot Groesbeek en stuwde een hoefijzervormige wal op van zand, grind en klei. De stuwwal dwong de Rijn zuidelijker te stromen in het dal waar tegenwoordige de Niers doorheen loopt. Toen de koudeperiode ten einde liep en het ijs begon te smelten brak het smeltwater op diverse plaatsen door de stuwwal heen en vormde diepe smeltwaterdalen. Daar achter werd een enorme hoeveelheid zand en grind afkomstig uit de stuwwal afgezet in de vorm van puinwaaiers of sandurs. Aan de binnenkant van de stuwwal gleed met water verzadigde bodemlaag de helling af het bekken in (solifluctie).
Droge toendra met Wollige Wilg en Dryas
Eerste bossen: 6 m hoge berken
In het interglaciaal Eemien werd het warm. Het gebied raakte bebost en met op de natste, lage plekken veen. 110.000 jaar geleden werd het weer kouder en de laatste ‘ijstijd ’het Weichselien begon. Het ijs bereikte ons gebied niet, maar er heerste hier wel een toendraklimaat. De wind werd een belangrijke bodemvormer. Zand van de stuwwalranden kwam in zandruggen neer in het bekken van Groesbeek. Grote hoeveelheden lössdeeltjes uit de drooggevallen Noordzee werden aan de leizijde van de stuwwal afgezet, in het bekken en in grote delen van het Reichswald. In de stuwwal werden nieuwe dalen gevormd. Ze werden uitgeschuurd door water dat over de bevroren ondergrond alleen oppervlakkig kon afstromen. Ze worden nu ‘droogdalen’ genoemd.
Sandurvlakte aan eind van smeltwaterdal
Impressie bekken van Groesbeek met veen
Oerbos met linde, haagbeuk en es
| >10.000 v. Chr.: | IJstijd voorbij; toendraplanten en –dieren verdwijnen. Ontwikkeling van vegetatie van gematigd klimaat |
| 10.000 – 8.000 v. Chr.: | Berk, den, hazelnoot overheersend |
| 8.000 v. Chr.: | Uitbreiding van eik, iep, linde en els |
| 5.000 v. Chr.: | Beuk neemt sterk toe op lössgronden; elzen, eiken en iepen op lager gelegen gronden |
| 4.000. v. Chr.: | Invloed van de mens merkbaar. Primitieve akkerbouw en veehouderij op lösshellingen. Bossen op de stuwwal: beuk met toenemend aantal zomer- en wintereik; in de beekdalen: wilg en els. |
| 1.000 v. Chr.: | Linde verdwijnt uit de bossen |
| 800 – 15 v. Chr.: | Ontbossing ten behoeve van akkerbouw en brandhout neemt sterk toe. |
