Geschiedenis van het Ketelwald


Een uitgebreide beschrijving vindt u in de Toekomstvisie Ketelwald


Het Heilig woud der Bataven

Toen de Romeinen zich in de eerste eeuw voor Chr. in het grensgebied langs de Rijn vestigden, lag tussen Nijmegen, Xanten en Goch een groot en dicht woud, waarin eiken en beuken de meest voorkomende boomsoorten waren. De Romeinen hebben hier tijdens hun verblijf, dat tot in de vijfde eeuw na Chr. duurde, veel sporen nagelaten. Zij hebben een groot deel van het bos gekapt voor bouwmateriaal en brandstofvoorziening van hun woningen, legergebouwen en baden. Heel veel hout is gebruikt voor het stoken van de grote pannen- en pottenbakkerijen die in Berg en Dal bij de Holdeurn en op Heilig Landstichting stonden. Een ander opzienbarend teken van de Romeinse cultuur in deze streek is het aquaduct dat water aanvoerde van de bronnen bij Berg en Dal naar hun legerplaatsen. Men heeft een mogelijk tracé van dit aquaduct gereconstrueerd: vanaf de Oude Kleefsebaan door het Kerstendal via de Meerwijkselaan naar het Kops Plateau en Hunerberg in Nijmegen. Verder zijn er in de tegenwoordige gemeente Groesbeek veel Romeinse bodemvondsten gedaan die erop wijzen dat zij in het bosgebied jaagden, er ontginningen aanlegden en er heiligdommen voor hun goden oprichtten. Vaak wordt beweerd dat de Romeinen de tamme kastanje in deze streken hebben geïntroduceerd vanuit Zuid-Europa. In aardewerkvondsten zijn echter tot nu toe weinig sporen aangetroffen die erop wijzen dat zij de kastanje in hun voedingspakket hadden.


Een zwaar belast pandgoed

Na de Romeinse tijd kon het bos zich geleidelijk herstellen. De Duitse vorsten kwamen hier vaak jagen als zij op hun palts (versterkt buitenverblijf met kerk en enkele hoeven) in Nijmegen verbleven. Vooral Lodewijk de Vrome maakte gebruik van deze locatie. Maar het gebied bleef op de kleine stedelijke centra na vrijwel onbewoond; uit de periode tot omstreeks de elfde eeuw zijn nauwelijks bodemvondsten gedaan.In enkele middeleeuwse oorkonden wordt het uitgestrekte bosgebied wel aangeduid met Ketila of Kelkt, het woud dat zich uitgestrekte tussen Nijmegen, Xanten en Goch. Die naam kan te maken hebben met de betekenis van ‘ketel’ als vruchtbare laagte, maar ook met de Keltische term ketila (wat ‘vee’ of ‘runderen’ betekent, vergelijk het Engelse cattle). Deze laatste betekenis zou niet onlogisch zijn omdat de meeste bossen in de middeleeuwen (maar ook in de tijd daarna) als weidebossen dienden.

Het Ketelwald in de middeleeuwen Het Ketelwald in de Middeleeuwen

In de twaalfde en dertiende eeuw komen overal in Noordwest-Europa kleine machthebbers op die hun territorium steeds verder probeerden uit te breiden. De graven van Gelre verplaatsen hun kerngebied vanuit Geldern en omgeving geleidelijk noordwaarts naar de regio Arnhem-Nijmegen, terwijl aan de zuidzijde het graafschap Kleef zich uitbreidde, vooral door gronduitgiften en ontginningen aan lokale heren en kloosters. In de periode van de dertiende tot de zestiende eeuw heeft het Ketelwoud of Rijkswoud een turbulente geschiedenis doorgemaakt. De beide concurrerende graven maakten beiden aanspraken op het bosgebied. Zij hadden voortdurend geldgebrek door hun rijke leven dat zij leidden en de vele oorlogen die zij voerden. Door het bos of een deel ervan aan elkaar te verpanden konden zij geld lenen. Over die leningen en terugbetalingen ontstonden vaak weer ruzies. Tenslotte kwam het in de vijftiende eeuw tot een definitieve splitsing van het grote bosgebied. Het (grootste) deel dat ongeveer ten zuiden van de huidige Gelders-Duitse grens ligt, werd het Ober-rijkswald of Overwald genoemd, het stuk ten zuiden en zuidoosten van Nijmegen werd het Nederrijkswald.

Het is begrijpelijk dat het bos als pandgoed een slechte verzorging kreeg; het werd vaak geplunderd om er in korte tijd zoveel mogelijk hout uit te halen. Hierbij moeten we bedenken dat hout vóór de komst van olie en steenkool een essentiële grondstof en energiebron was. Turf was schaars en duur. Vrijwel alle woningen werden van hout gebouwd en voor vestingwerken, voertuigen en schepen waren eveneens grote hoeveelheden hout nodig. Waarschijnlijk was er in de Middeleeuwen althans in het Nederrijkswald nog geen systematische eikenhakhoutteelt waarbij de stammen om de acht tot tien jaar van de stobben werden gekapt, maar velde men het bos vrijwel geheel als het weer een aantal jaren was opgegroeid. Toen graaf Reinald II het Nederrijkswald in 1331 na een verpanding terugkreeg van zijn Kleefse buurman was het zo geruïneerd dat hij de order uitvaardigde dat er helemaal niet meer gekapt of ontgonnen mocht worden. Toch hadden de graven en hertogen een beheersorganisatie tot hun beschikking die in theorie een doeltreffend beheer mogelijk maakte: aan het hoofd stond een waldgraaf als vertegenwoordiger van de landsheer, daaronder waren enkele waldforsters werkzaam die het dagelijkse toezicht hielden en bij overtredingen de daders mochten bekeuren. Maar terwijl de traditionele weideen sprokkelrechten van de boeren in en bij het bos door de toezichthouders vanwege mogelijke schade werden betwist, waren de heren uit Arnhem en Kleef vooral belust op maximale korte-termijn inkomsten uit hun bezit.


Herstelpogingen in de zestiende en zeventiende eeuw

In de zestiende eeuw werden de Staten van Gelderland eigenaar van alle hertogelijke domeinen. De Gelderse Rekenkamer (ingesteld door Karel V in 1559) kreeg het beheer over de domeinen, waaronder het Nederrijkswald. Het Oberreichswald bleef onder de hertog van Kleef, maar het bosbeheer werd daar wel steeds meer gecentraliseerd in Brandenburg. In dat kader kondigde keurvorst Friedrich Wilhelm in 1649 de eerste Jagd- und Forstordnung für das Herzogtum Kleve af. Ondanks het feit dat het Duitse gedeelte in de Middeleeuwen sterk in oppervlakte gereduceerd was door de vele ontginningen aan de zuid- en oostzijde, werd in het overblijvende woud van circa 5000 hectare een beter beheer gevoerd dan het Gelderse Nederrijkswald. Nieuwe aanplanten in het Nederrijkswald mislukten vaak doordat de toenmalige kennis van bosbouw en grondbewerking nog heel beperkt was. Aan een beter beheer werd wel gewerkt. De Staten van Gelderland kondigden vele plakkaten af tegen houtdiefstallen en illegaal weiden.

Waldordonantie uit 1655 Waldordonantie uit 1655

Zij stelden ook een bosreglement of Waldordonnantie op, maar de praktische uitwerking daarvan was gebrekkig. Dat kwam ook doordat de stad Nijmegen halsstarrig weigerde om die ordonnantie af te kondigen en eraan mee te werken. Uit oude kaarten blijkt dat het Nederrijkswald in de zestiende en zeventiende eeuw voor een aanzienlijk deel uit heide en struikgewas bestond. De grote behoefte aan hout tijdens de Tachtigjarige Oorlog dwong telkens weer tot verbetering van het bosbeheer, maar even zo vaak mislukten de pogingen grotendeels. De houtveilingen die jaarlijks op de Valkhofburcht werden gehouden, brachten soms nauwelijks de kosten op van het beheer (waarvan de loonkosten van waldgraaf en waldforsters een belangrijk deel uitmaakten).

Het bos degenereerde tot heide Het bos degenereerde tot heide


Verbeteringen in de achttiende eeuw

Vanaf omstreeks 1720 ging men effectiever te werk in het bosbeheer. De heren van de Rekenkamer uit Arnhem kwamen het bos jaarlijks visiteren om de problemen met eigen ogen te zien en adviezen te geven om de toestand te verbeteren. Zij waren zeker niet ondeskundig. Vaak kenden zij ook de Duitse methoden van bosbeheer en bosbouw uit de eerste handboeken die in de tweede helft van de achttiende eeuw over dit onderwerp in Duitsland verschenen. Als onderdeel van de verbeteringen in de bosbouw werd rond 1730, wellicht op voorbeeld van het Kleefse beheer, een groot deel het Nederrijkswald herverkaveld in rechte stukken zodat men het onderhoud, toezicht, kappen en de houtafvoer beter kon regelen. Wat het houtbestand betreft bleef tot omstreeks 1780 de exploitatie van het grootste deel van het Nederrijkswald echter gericht op eikenhakhout. Daarbij ging het vooral om de productie van eikenschors voor de leerlooierijen, ten tweede voor brand- en timmerhout. Opgaand bos vinden we in die tijd vooral in de oostelijke helft, waar de lösshoudende bodem ook vruchtbaarder was dan op de westelijk gelegen zand- en grindgronden. De grove den werd in het Nederrijkswald in de eigenlijke bosbouw toegepast vanaf omstreeks 1740-1750. Dennenhout werd in de achttiende en negentiende eeuw steeds meer geproduceerd, eikenhakhout nam geleidelijk af. Dit grenenhout werd gebruikt voor de bouw en in toenemende mate voor de mijnbouw. De fijnspar kwam ongeveer een halve eeuw na de grove den in zwang. Bij deze ontwikkelingen diende ongetwijfeld de Kleefse en in het algemeen de Duitse bosbouw als voorbeeld. Dennenzaad kwam uit Brandenburg, in Gelderland waren meerdere Duitsers als rentmeester of boswachter aangetrokken. Het Kleefse bosbeheer was voor de waldforsters van het Nederrijkswald ook een lichtend voorbeeld voor hun arbeidsomstandigheden en beloning. Hun Kleefse collega’s verdienden In 1638 meer dan tweemaal zoveel voor hetzelfde werk.


Van houtproductie naar natuurontwikkeling

Tot ver in de negentiende eeuw was, zowel in het Nederlandse als het Duitse deel van het oude Ketelwald vrijwel uitsluitend was gericht op de houtproductie. Alleen de heren Statenleden uit Arnhem en Nijmeegse notabelen mochten er jagen op grof wild. Daarnaast hebben het woud en de belendende heidevelden steeds gefunctioneerd als weidegronden, en voor het steken van heideplaggen voor de potstallen van de boeren. Het sprokkelen van dood hout was toegestaan aan de in- en aanwonende bevolking. Wat er in het Nederrijkswald en Reichswald aan verfraaiing werd gedaan kwam geheel voor rekening van de particuliere grootgrondbezitters. Vooral in het Nederrijkswald gaf de Rekenkamer stukken grond uit in erfpacht, waarop de nieuwe eigenaren een boerderij, landhuis of zomerwoning lieten bouwen. Ze legden in de achttiende eeuw sterrenbossen aan (Watermeerwijk en Uilenput) aan en markeerden de wegen op hun bezittingen met lanen van beuk, linde en robinia.

Pas toen vrijwel alle rijksdomeinen in het Nederrijkswald omstreeks 1850 waren verkocht, kwam men tot de ontdekking dat de overheid geen greep meer had op de houtproductie, juist toen de behoefte steeds groter werd. In deze lacune werd voorzien door Staatsbosbeheer vanaf 1900 de rol van nationale houtvester te laten vervullen. Geleidelijk verwierf SBB steeds grotere delen van het voormalige Nederrijkswald. Typerend voor het onderscheid tussen bos- en natuurbeheer in de eerste helft van de twintigste eeuw is dat de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, kort na Staatsbosbeheer opgericht, in sommige (bosbouw)kringen het imago had dat zij niet goed voor een bos kon zorgen. Toen deze Vereniging in 1928 dan ook een overheidssubsidie voor de aankoop van de Munt- en Wolfsberg aanvroeg, leidde dat tot een ernstige regeringscrisis omdat men deze club ongeschikt vond om dit gebied voor de bosbouw te exploiteren. Staatsbosbeheer heeft het terrein toen al gauw overgenomen.

Dergelijke voorvallen kwamen niet voor in het Reichswald. Rationele bosbouw, uitgedrukt in kubieke meters hout per hectare en per jaar, en de al even rationele jacht, waren en bleven tot voor kort de enige gebruiksvormen. De belangen van de recreatie speelden vanaf de jaren ‘50 in de dagelijke werkzaamheden een ondergeschikte rol. Economische problemen met de grote dennenplantages, die na de bosverwoesting in en na de oorlog op grote schaal aangeplant waren, leidde in verband nieuwe bosbouwkundige kennis als snel na de grote herbebossingsgolf van rond 1950 tot een steeds groter wordende afkeer van pure naaldbosaanplanten. Een mijlpaal voor de natuurbescherming in het Reichswald was de aanwijzing in 1972 van twee natuurbospercelen met een gezamelijke oppervlakte van nauwelijks 50 ha. Deze aanwijzing diende weliswaar primair het natuurwetenschjappelijk onderzoek naar natuurlijke processen in het bos bij het uitblijven van menselijk ingrijpen, maar van deze processen profiteert ook een groot aantal schinnels en doodhoutkevers. In 2000 werd het ongeveer 600 ha grote habitatrichtlijngebied Geldenberg aangewezen, waarbij houtproductie weliswaar niet helemaal gestopt is, maar aan de wensen van de natuurbescherming aangepast wordt. Zo wordt in de gebieden, waarin het bos grotendeels aan zichzelf overlaten wordt de eik, vanwege zijn grote ecologische betekenis in de wat intensieve bosbouwkundige plekken door selectieve kap, bevoordeeld. Houtkap vindt verder bijna alleen in het aanwezig naaldhout plaats, waardoor de verandering naar loofbos versneld wordt. Ook op de overige percelen van het Forstamt heeft in toenemende mate een ecologisch bosbeheer plaats. Met de certificereing van het forstamt met het (Forest Stewartship Council) label wordt de integratie van de natuurbeschermingsbelangen in het bosbeheer verbindend vastgelegd en regelamatig geëvalueerd. Aan de Nederlandse zijde van de grens zien we in de beheersplannen van de boswachterij Groesbeek-De But na de jaren zestig een gestage verschuiving naar een ‘vernatuurlijking’ van het bos: selectiever kappen en het streven naar gemengd bos met hogere natuurwaarden. Daarnaast is de recreatie voorzover niet strijdig met de natuurwaarde in de laatste halve eeuw steeds meer een doel geworden.

Laan in het Nederrijkswald Laan in het Nederrijkswald


Natuurbescherming in het Ketelwald

De natuurbescherming in het gebied van het Ketelwald kan bogen op een relatief lange geschiedenis. Een van de oudste en belangrijkste natuurreservaten van Nederland ligt tussen beide bosgebieden: De Bruuk. Dit gebied werd als eerste graslandreservaat in 1940 door de Nederlandse Staat aangekocht. Zijn geschiedenis weerspiegelt ook de gang van de natuurbescherming. Indertijd heerste de mening in de natuurbescherming van nietsdoen en natuur zijn gang laten gaan. Dit leverde steeds meer protesten op, toen de zeer soortenrijke blauwgraslanden in toenemende mate verruigden en met struiken dichtgroeiden. Vanaf 1957 werd het oude beheer van jaarlijks maaien en afvoeren weer ingesteld; het blauwgrasland herstelde zich weer. Het historisch gevoerde beheer is sindsdien een onlosmakelijk bestanddeel van natuurbescherming. Intussen hebben nog andere elementen van natuurbescherming ingang gevonden: milieubeheer, biotoopaanleg en het verbinden van natuurgebieden door ecologische verbindingszones. De diversificatie die de natuurbescherming de laatste decennia doormaakt, van natuurbescherming van objecten onder de glasstolp tot ecosystematische aanpak, waarbij de maatschappij betrokken wordt, kan in één reservaat afgelezen worden.

Dat geldt natuurlijk ook voor veel andere natuurbeschermingsactiviteiten: velen zijn een uitnodiging voor de bevolking om mee te doen of van de natuur van de beschermde gebieden te genieten. Daarnaast heeft zich ook de conserverende natuurbescherming zich verder ontwikkeld. Uit de bescherming van meer of minder toevallig uitgekozen gebieden is een europadekkend, systematisch proces ontstaan, dat met kracht het doel vervolgt, het aanhoudende soortenverlies te remmen. De gebieden worden naar vaktechnische criteria uitgekozen en vastgesteld. Als “Natura-2000 gebieden” vormen zij een europees netwerk, dat de Europese natuur hoort te beschermen. Dit Europese initiatief is zowel in Nederland als Duitsland terug te vinden. Ook andere natuurbeschermingsinitiatieven hebben zich ongeveer op dezelfde manier zowel in Duitsland als Nederland voltrokken. De inrichting van biologische stations in Nordrhein-Westfalen is hier een voorbeeld van. Die NABU-Naturschutzstation in Kranenburg vormt een scharnierpunt tussen professionele en vrijwillige natuurbescherming en tussen natuurbescherming en de samenleving. Het bedrijf van het bezoekerscentrum “de Gelderse poort” van de gemeente Kranenburg laat dat duidelijk zien.

Natuurlijk heeft de natuurbeschermingsgedachte aan de Duitse kant zich pas veel later post gevat dan aan de Nederlandse kant. Zo werden in de uiterwaarden van de Rijn pas sinds de tachtiger jaren enkele gebieden aangewezen. In het jaar 2000 voegde zich daar in het Reichswald een groot bosnatuurbeschermingsproject bij, waarin het houtgebruik weliswaar niet helemaal gestopt is, maar zeer sterk aan de natuurbescherming aangepast is en zich in de naaldhoutbestanden ervan concentreert.

Geldenberg Naturwaldzelle Geldenberg

Deze tekst is gebaseerd op en enkele afbeeldingen zijn afkomstig uit het boek "Een notabel domein" van Klaas Bouwer.