De huidige Natuurwaarden in het Ketelwaldgebied

Met een oppervlakte van bijna 9000 ha is het Ketelwald niet alleen een relatief groot bosgebied, maar het vormt ook een schakel tussen andere meer of minder grote natuurgebieden: Millingerwaard en Rijnuiterwaarden, Haterse Vennen, Maasduinen, Veluwe en Eifel.

Een uitgebreide beschrijving vindt u in de Toekomstvisie Ketelwald


Natuurlijkheid van het Ketelwald

Ongeveer 2000 jaar civilisatie heeft in het Ketelwald weinig oernatuur overgelaten. Na de grote veenontginningen die tot in de 20ste eeuw hebben geduurd, is iedere vierkante meter door de mens gevormd en vaak volledig veranderd. Dat geldt ook voor het bos. Hoewel de meeste mensen “bos” per definitie als natuur beschouwen, is het ene bos het andere niet. Terwijl in het grootste deel van het Ketelwald het bosbeeld volledig door de mens is bepaald (o.a. wegenaanleg, aanplant van uitheemse naaldbomen, het inplanten van oud bos met jonge bomen), zijn er toch nog hout opstanden die door natuurlijke verjonging ontstaan zijn en waarvan de soortensamenstelling ogenschijnlijk nauwelijks door de mens beïnvloed is. In het natuurbeschermingsgebied De Geldenberg in het Reichswald zijn er bossen, waarbij alleen de ecoloog nog de invloed van de mens kan waarnemen. Andere oude Beuken- en Eikenbossen en restanten van Elzenbroek- en Elzenbronbossen op de St. Jansberg en de Duivelsberg zijn ook als bijna natuurlijk te beschouwen.

Met mos overgroeide bomen op de Geldenberg Met mos overgroeide bomen op de Geldenberg

Ook enkele plaatsen in het voormalige Kranenburger Bruch en De Bruuk kunnen als bijna natuurlijk gekenschetst worden: rietlanden en Elzenbroekbossen. Schrale graslanden (zoals in De Bruuk) en oude heidevelden worden als half-natuurlijk bestempeld. De mens heeft er door beperkte, maar langdurig dezelfde ingrepen een zeer soortenrijke levensgemeenschap tot stand gebracht. Het gros van het agrarische en het bebouwde gebied in de streek moet als cultuurlijk beschouwd worden. De invloed van de mens is daar zo groot dat die juist geleid heeft tot nivellering en grote soortenarmoede.

Grote bonte specht drinkend uit natuurlijke waterbeker in oude beuk




 Grote bonte specht drinkend
 uit natuurlijke waterbeker in oude beuk


Het herstellen van natuurgebieden

Vanwege hun zeldzaamheid en betekenis voor de biodiversiteit worden oude loofbossen, schrale graslanden, heides en moerassen als de belangrijkste natuurtypen van het Ketelwaldgebied gerekend. Ze zijn de laatste eeuw(en) echter sterk in oppervlakte achteruit gegaan en zelfs de restanten staan onder druk.

Witte klaverzuring Witte klaverzuring

Door natuurbeschermende maatregelen dienen deze laatste resten niet alleen beschermd maar ook waar mogelijk versterkt en vergroot te worden. Daarom dringt zich de vraag op of dergelijke gebieden te regenereren zijn. Hoewel herstel van oerbossen en moerassen eeuwen duurt, kan men toch bij goede maatregelen al na enkele jaren mooie resultaten bereiken. Een deel van de planten en dieren komt al weer snel terug. Ook bossen, die aan zichzelf overgelaten worden, laten al na enkele decennia belangrijke kenmerken van oerbossen zien en ook bij bloemrijke graslanden, zoals blauwgraslanden, kunnen bij de juiste inrichting relatief snel resultaten behaald worden.

Dat geldt zeker ook voor heide. Enkele jaren na het plaggen van de voedselrijke toplaag herstelt de vergraste heide zich vaak voorbeeldig. Dergelijke voedselarme natuur kan zich alleen maar verder ontwikkelen als we ervoor zorgen dat vervuiling uit de lucht en via water, die voor een groot deel verantwoordelijk zijn voor de achteruitgang, achterwege blijft of sterk vermindert. Dat geldt ook voor verdroging. Hoewel door milieuwetgeving de laatste jaren duidelijk milieuwinst is geboekt, is dat nog steeds niet voldoende om de schrale natuur duurzaam te kunnen laten ontwikkelen en dienen de regels verder aangescherpt te worden.


Vegetatie Bossen

Vast staat dat de natuurlijke loofbossen van de tijd waarin het Ketelwald haar naam kreeg, niet meer te vinden zijn. De mens heeft het bos sterk veranderd. Er zijn degradatiestadia ontstaan zoals eikenhakhout en heide. Daarnaast wordt het bos door houtkap erg jong gehouden. De omlooptijd bedraagt vaak niet meer dan 120 jaar. De bomen zijn vaak even oud, gelijksoortig, aangeplant en uitheemse soorten. Doordat die boomsoorten (naaldhout) altijd groen zijn, houden zij veel regenwater tegen. Onder een gesloten dennenbos valt jaarlijks nog geen 400 mm regen op de grond. Hierdoor heerst er in feite een droog klimaat en ontstaat verdroging als gevolg van de boomsoortkeuze. Vaak zijn bosbouwkundige ingrepen nadelig voor de biodiversiteit van het bos. Het meest extreme voorbeeld van een dergelijk soortenarm bos zijn plantages van douglasspar van ca. 40 jaar oud. In deze donkere bossen leeft bijna niets, hoewel havik en sperwer deze bossen vaak uitkiezen voorhet maken van hun horsten.

Muskuskruid Muskuskruid

Natuurlijk bos versus cultuurlijk bos

Natuurlijk is het Ketelwald er niet overal even slecht aan toe. Er zijn delen die er zelfs erg natuurlijk uitzien zoals de 'Naturwaldzelle' op de Geldenberg en Rehsol. Vanuit botanisch perspectief zijn deze natuurlijke bossen zeer soortenarm. Alleen onder de lichte boomkronen van dennen of lorken of in gaten in de kronen van schaduw en halfschaduwbomen komen enkele soorten voor die niet echt tot de typische loofbossoorten behoren, maar eerder tot de bosrand en boskapflora behoren. Ook aan de Nederlandse kant zijn er flinke stukken met loofbos en zijn er open dennenbossen waar natuurlijke verjonging optreedt. Er zijn ook gebieden in het Ketelwald met hoge natuurwaarden, ook of soms zelfs juist in de door de mens beïnvloede delen. Zowel op de St. Jansberg als op de Duivelsberg vinden we oude beukenbossen met een wat minder spaarzame ondergroei. Door het voorkomen van löss vinden we er Witte Klaverzuring en Ruige Veldbies. Naast de dominerende beukenbossen zijn er ook enkele soorten eikenbos: op de droogste zandbodems staan Eiken-Berkenbossen en op de vochtige leembodems wat Eiken-Haagbeukenbos. Het zijn bossen met een fraaie ondergroei bestaande uit: Bosanemoon, Gele Dovenetel, Slanke sleutelbloem, Gevlekte Aronskelk en de varenDubbelloof en op de St. Jansberg nog Parelgras en Zwarte Rapunzel.

Bosanemoon op de Duivelsberg Bosanemoon op de Duivelsberg


Wat gebeurt er bij natuurlijk bosontwikkeling?

Dominantie van de beuk

Over wat er ontstaat wanneer een bos zich zelf kan ontwikkelen, zijn de meningen verdeeld. Het staat vast dat, behoudens op de zeer natte plaatsen, de beuk gaat domineren en niet alleen de andere boomsoorten wegconcurreert, maar door lichtvang van de boomkronen en het ophopen van blad ook de ondergroei sterk remt. Grootschalige ‘verbeuking’ leidt tot monotone bossen.


Het effect van windworp en vuur

Windworp kan tot flinke open plekken leiden, maar het laat zich aanzien dat het bos de plek al weer snel in bezit neemt en dat de beuk daarin snel weer een dominante rol inneemt. Bosbranden door blikseminslag zouden ook een grote rol kunnen spelen. In droge- en boreale gebieden is die groot, maar in loofbossen in gematigde klimaten zoals de onze branden bomen niet snel. Sterker nog, vroeger werden juist loofhoutsingels rond naaldhoutpercelen aangeplant als brandwering. Bosbranden spelen in natuurlijke loofbossen nauwelijks een rol van betekenis.


Het effect van grote grazers

Er zijn ook bosdeskundigen die denken dat grote grazers een cruciale rol spelen en door hun vraat de bosverjonging tegenhouden, waardoor het bos op een bepaald moment van ouderdom instort. Op die open plaatsen zou dan een grazige vegetatie een tijdlang in stand blijven, totdat jonge eiken en hazelaars, in de bescherming van stekelige struiken de open plek weer laten dichtgroeien. Als het bos dan verder tot ontwikkeling komt, sterven de beschermende struiken door de afnemende lichtinval en wordt de natuurlijke verjonging door de grazers opnieuw tegengehouden. Zo ontstaat onder invloed van grazers een mozaïek van bossen en open plekken, een parkachtig landschap dat lijkt op het New Forest in Engeland. De meeste onderzoekers gaan er echter van uit dat de grazers in ons klimaat de verjonging niet geheel kunnen tegenhouden en dat eventueel open plekken zo snel dichtgroeien dat de populatie van grote grazers in het zich sluitende bos wegens voedselgebrek snel zal instorten tot een laag niveau, waardoor hun effect op de omgeving verder afneemt. Alleen water (rivieren, opgestuwd water) en veen kunnen bosgroei belemmeren. Het is met de huidige stand van de wetenschap nog niet duidelijk in welke richting natuurlijke bosontwikkeling op lange termijn zal leiden. Zelfs niet of de verbeuking, die bijna overal optreedt bij niets doen, niet slechts een tussenstadium is. Er zijn in West-Europa geen oerbossen meer aanwezig waaraan we het ‘eindstadium’ kunnen aflezen.


Andere loofbostypen

Variatie door de aanwezigheid van de stuwwal en de daarbij behorende bodemsoorten (zand en löss-leem) en verschillen in waterhuishouding heeft diverse bostypen tot ontwikkeling laten komen: Eiken-Berkenbos op schrale droge grond bovenop de stuwwal, Beukenbossen op wat rijkere gronden, Eiken-Haagbeukenbos op vochtige, lössrijke plaatsen, Elzenbron- en broekbossen op zeer natte plaatsen. De verwachting is dat op den duur zo'n 95% van de bossen op de stuwwal uit beuken zullen bestaan. Alleen daar waar een hoge waterstand heerst, dus op de plaatsen van de Elzenbron- en broekbossen en misschien op het onderste randje van het Eiken-Haagbeukenbos kunnen geen beuken groeien.


Plaats voor bestaande loofbostypen

De vraag is natuurlijk of de andere loofbostypen, die zich in de potentiële beukenzone liggen, gehandhaafd moeten worden, of dat we ze verloren laten gaan. Dat geldt met name voor de Eiken-Berkenbossen, de Eiken-Beukenbossen en de Eiken-Haagbeukenbossen. Dit zijn bostypen, die of in een bepaald successiestadium zitten (Eiken-Berken en Eiken-Beukenbos) of door de mens in stand worden gehouden door selectief de beuken eruit te kappen (Eiken-Beukenbos, Eiken-Haagbeukenbos). Gezien de relatief grote tot zeer grote biodiversiteit van deze bostypen lijkt het niet zinvol deze bostypen allemaal op te offeren aan het beukenbos.


Plaats voor naaldbossen

Het is wenselijk om een groot deel van het naaldbos te vervangen door loofbos. Dat kan door natuurlijke verjonging, maar ook versneld door selectieve kap van naaldbomen. Naaldbossen maken nog steeds veruit het overgrote deel uit van de bostypen in het Ketelwald. Dat betekent overigens niet dat alle naaldbomen zouden moeten verdwijnen. Ook zij hebben een cultuurhistorische betekenis. Grove Dennenbossen met een ondergroei, waarbij Blauwe bosbes domineert en die in de jaren ’30 van de vorige eeuw algemeen waren, zijn door successie nagenoeg verdwenen. Zij vormen een successiestadium na heide. In een gebied waar heide en successiestadia daarvan een kans zouden moeten krijgen, passen dergelijke bosbesbossen.


Bosranden

Natuurlijke bosranden hebben een zoomvegetatie. Er groeien vaak struiken, soms bijzondere. Zo vinden we op de Mookerhei en de St. Jansberg plaatselijk Wilde appel en Mispel. De Kamperfoelie is algemeen en ook bosrank komt hier vrij veel voor. In de ondergroei zit vaak klimop en Salamonszegel.


Heidegebieden

De heidenvelden in het Ketelwald zijn door eeuwenlange roofbouw van de bosvegetatie ontstaan. Beweiding en plaggen hebben de bodem sterk verarmd en uitgeloogd. Weinig plantensoorten kunnen onder dergelijke omstandigheden leven. Naast Struikheide, die in augustus paars kleurt, en soorten als Brem, Borstelgras en Bochtige Smele (Mookerheide) zijn er op plaatsen met leemlaagjes in de bodem zeldzame soorten te vinden zoals de Rode dophei die hier de oostelijke grens van zijn verspreidingsgebied bereikt, en ook soorten als Fraai Hertshooi en Gevlekt Havikskruid (Mulderskop).


Vochtige en natte plaatsen in het Ketelwald

In het Ketelwald zijn brongebieden aanwezig, met name op de St. Jansberg, Duivelsberg en boven Nütterden. In de brongebieden aan de Nederlandse kant groeit paarbladig en verspreidbladig Goudveil. Verder vinden we bij dit opwellende bronwater (temperatuur 10ºC) Reuzenpaardenstaart, Bosbies, Boswederik en andere soorten van het Elzenbronbos. Bij de bronnen in het Reichswald boven Nütterden groeien enkele vochtminnende zeggensoorten, maar verder geen typische kwelvegetatie. Daarentegen zijn enige verlandingsstadia van enkele poelen op diverse plaatsen in het Reichswald interessant. Hiet vinden we Waterpostelein,Kikkerbeet, Waternavel, waterdrieblad en Waterscheerling. Aan de zuidrand van het Reichswald en de Jansberg lagvroeger het Koningsven, een uitgestrekt veengebied. Het lag in een oud Rijndal vlak aan de bosrand van hetReichswald. Hierdoor vormden zich daar meertjes en poelen, waarin allerlei bijzondere planten groeiden zoals velesoorten blaasjeskruid en fonteinkruid. Eromheen lag een oeverzone met hoge zeggen – en rietsoorten, waaronderGaligaan. Verder zuidwaarts volgde dan een zone met laagveen en hoogveen, die omzoomd werd door soortenrijkeblauwgraslanden. Op plaatsen waar water stagneert, zoals aan de voet van de St. Jansberg vinden we nog kleinerestanten van deze begroeiing. Hier groeit een brede zone Elzenbroekbos. Naast Moeraszegge en Gele lis, vinden weer Koningsvaren, Klein glidkruid, Galigaan en Paardehaarzegge. Om een beeld te krijgen van dergelijkeblauwgraslanden, dient men naar de Bruuk te gaan een natuurreservaat dat een van de laatste restanten bevat van diteertijds zo algemene vegetatietype, waarvan Nederland het centrum vormde. Elzenbroekbos op helling met kwel op de Jansberg.


Leemkuilen

Dan zijn er een paar oude leemkuilen, waar oud glaciaal leem dagzoomt. De leem is zeer zwak kalkhoudend, wat een zwak gebufferde bodem oplevert. Doordat ze in het verleden door kleinschalige leemwinning open bleven en er licht bij de leemkuilen kon komen, ontwikkelde zich op deze speciale ondergrond een bijzondere vegetatie. De leemkuil van de Heselenberg, ook een natuurreservaat, is het mooist. Hier is de enige vindplaats in Nederland van de Duitse Brem. Verder groeien er Mannetjesereprijs en Tormentil. Vroeger stond er ook Zaagblad, Knollathyrus en Blauwe Knoop. Aan de randen van de leemkuil en het aangrenzende doorgeschoten eikenhakhoutbos groeit veel Bosanemoon, Lelietjes der dalen en Dalkruid. In de leemkuil bij het Zwaantje staat behalve Bosanemoon ook veel Grootbloemige muur, Dalkruid en Gewone Salamonszegel.

Elzenbroekbos op helling met kwel op de Jansberg Elzenbroekbos op helling met kwel op de Jansberg


Dierenwereld


Zoogdieren

Het grootste in het wild levende zoogdier in het gebied is het Edelhert. In het Reichswald leeft een populatie van ongeveer 80 edelherten binnen een wildraster. In het hele Ketelwaldgebied vinden we Ree en Wild Zwijn, waarbij het Wilde zwijn aan Nederlandse kant formeel illegaal is. Voorts leven er in het bos Vos, Das, Konijn, Eekhoorn, muizen en marters. Van de laatste groep verdient de Boommarter extra aandacht. De laatste zekere waarneming van deze op de Steenmarter gelijkende soort dateert van 20 jaar geleden. Vleermuizen zijn in diverse soorten aanwezig. Een van de meest zeldzame soorten is de Grote Baardvleermuis.

Wild zwijn (foto: G. Besselink, KINA) Wild zwijn (foto: G. Besselink, KINA)

Edelhert in het Reichswald Edelhert in het Reichswald

Het edelhert heeft een uitgesproken sociaal gedrag Het edelhert heeft een uitgesproken sociaal gedrag


Vogels

In het Ketelwald leven veel vogelsoorten, meestal algemeen voorkomende soorten. In de natuurlijke loofbossen zijn er enkele soorten die elders zeldzaam zijn: Zwarte specht, Groene specht, Kleine bonte specht, Bonte vliegenvanger, Gekraagde roodstaart, Appelvink en heel soms de Taigaboomkruiper. Opvallend is de havik- en sperwerstand. In de jaren zestig van de vorige eeuw bereikte de roofvogelstand door het gebruik van landbouwgif een dieptepunt (4 broedparen Havik en 1 tot 3 broedparen Sperwer in het Ketelwald). Na het verbod op Dieldrin en DDT in resp. 1968 en 1973 herstelde de stand zich weer en telt momenteel maximaal ca. 50 paar. Naast deze roofvogels is er een goede populatie van de Buizerd. Boomvalk is schaars, evenals de Wespendief. In de heidegebieden aan de Nederlandse kant broeden nog de Nachtzwaluw en de Boomleeuwerik.

Mannetje Zwarte specht vliegt voor hol Mannetje Zwarte specht vliegt voor hol


Amfibieën en reptielen

In poelen en plassen in het Reichswald leven opvallend veel amfibieën: Alpenwatersalamander, Gewone pad en Bruine kikker zijn algemeen. Groene kikker en Kleine watersalamander komen minder vaak voor. De Vinpootsalamander is een bijzondere soort die sinds 1984 in het Reichswald gevonden wordt. Het is een voorhoedepopulatie die buiten het eigenlijke areaal van de soort ligt.

Mannetje Pad wacht op vrouwtje Mannetje Pad wacht op vrouwtje

Voor reptielen zijn de heidevelden van belang. Hier vinden we de Levendbarende hagedis en de Zandhagedis, en bij de Mulderskop ook de Gladde Slang. De Zandhagedis leeft ook aan de zuidrand van het Reichswald. De Levendbarende Hagedis en de Hazelworm dringen verder het bos in. Vanuit de Bruuk heeft zich een populatie ringslangen aan bosranden en vochtige plekken gevestigd.


Insecten

De hoeveelheid insecten is – zoals te verwachten is - bijna onvoorstelbaar. Hier worden alleen enkele bekende voorbeelden besproken. Libellen: in de vochtige gebieden en bij poelen leven talloze libellensoorten. Wij noemen bijvoorbeeld de Venwitsnuitlibel in het Reichswald en de Noordse Witsnuitlibel in het Reichswald en Kranenburger Bruch. Verder de Koraaljuffer bij de St. Jansberg.


Kevers

De soortenrijke groep van de kevers is voor het Reichswald vrij goed onderzocht. In de Geldenberg vond Frank Köhler in 2002 427 soorten, daaronder waren enkele zeer zeldzame soorten. Terwijl de beukenbossen extreem arm aan plantensoorten zijn, bleken ze voor de dierenwereld zeer soortenrijk. Algemeen bekend is het voorkomen van het Vliegendhert aan de oostzijde van het Reichswald. Ook aan de zuidrand zit een populatie, evenals bij Dekkerswald. De larven van deze grote keversoort leven in rottende wortelstobben van loofbomen (eik, kers) op zonnige plaatsen.

Vliegend hert (foto: Klaus Kretschmer) Vliegend hert (foto: Klaus Kretschmer)